Na anderhalf
uur rijden en flink wat heuvels komen we bij de Cliffs of Moher. Een steile
rotswand van zo’n honderdtwintig meter hoog en acht kilometer lang. Langs het
korte deel, rechts van de parkeerplaats, staat nog een hek op de rand. Op dat
moment ben je daar blij mee.
| Noordpunt van de Cliffs of Moher |
De angst
verdwijnt snel. Ik ben echt geen held in dit soort dingen, maar nu even wel. We
zijn hier nu toch, alle remmen los. Natuurlijk, je neemt geen belachelijke
risico’s en je bent constant op je hoede, maar ik heb geen zin in angsthazerij.
Ik ga niet drie uur met mijn hand aan de reling lopen en niet naar beneden
kijken.
Aan de ene kant een breed landschap met veel water, af en toe een dorpje en vooral gras. Met koeien uiteraard. Rechts van ons de afgrond. Soms is er een paar meter over, soms niet meer dan (pak hem beet) vijftig centimeter. Moet je bij iedere stap nadenken hoe je je voet neerzet? Nee, er ligt een prima pad. Om de paar minuten maak je een foto, je denkt steeds een mooier beeld te krijgen. Na drie uur komen we bij het eindpunt, een fort dat we al die tijd als richtpunt gezien hebben. Hier eindigt het land en begint de Atlantische oceaan.
Een beetje
schuin onder deze laatste punt ligt nog een stuk land. Hier komen te meeste
toeristen niet, die liggen languit in het gras uit te rusten. Ik loop er met
een volle blaas heen en zoek en afgelegen stukje. Helemaal de enige ben ik
niet, er zit een één oude man. Hij rookt rustig zijn pijp op en kijkt afwezig naar de
oceaan. Ik loop even de bocht om een leeg mijn blaas. Teruglopen naar boven doe
ik nog niet. Ik ga ook in het gras zitten. Links de oude man op het gras, linksvoor
nog een rotspunt en verder is er alleen maar water. Mooier wordt het niet.